De Oude Kerk - Marinus Boezem


De hoofdvraag die maar in mijn hoofd blijft ronddolen is: ‘Waarom zag ik het niet als mooi?’ De drie televisieschermen vond ik niet mooi. Het werk raakte me niet, het irriteerde me eerder. Aan de esthetiek lag het niet: je zag een witte balk (de pilaar), met daarop een donkergrijs televisiescherm dat gedateerd lijkt. De twee objecten sloten perfect op elkaar aan, niets op aan te merken. Zo’n zelfde object stond er nog naast. De twee televisies stonden op sneeuw, dat wat alleen de generatie voor 2000 geboren kinderen nog lijkt te kennen. De twee objecten zijn op een symmetrische manier in de ruimte geplaatst in de kerk, zoals ik al zei: niets op aan te merken, maar waar is het kunstwerk? Ik zag slechts de televisieschermen (al bestaand), de zuilen (misschien bestaand, misschien niet, maar niet per se zelfgemaakt) en de ruimte eromheen. Het kunstgedeelte hierin is dus de plaatsing van al bestaande objecten en het geven van een nieuwe lading eraan, als ik het goed begrijp. Hij zag de sneeuw in de schermen als de Hemel, zijn beeld van de Hemel wel te verstaan. Ik hoop niet dat mijn Hemel, moge ik daar terecht komen als het bestaat, er zo uit ziet. Maar goed, door de beschrijving werd ik toch gedwongen om verder te kijken dan wat ik zo op het eerste gezicht zag. Nou ja, na de tijd dan. Celia zei iets waarvan ik dacht: dat is best wel begrijpelijk. Wat ik me namelijk van vroeger herinner, en wat zij zei, is dat je na lang staren naar een sneeuwend beeldscherm schimmen en silhouetten gaat zien (of ze denkt te zien). Ik weet nog dat ik daar vroeger verschrikkelijk bang voor was, omdat ik dacht dat het geesten waren in het scherm, maar goed. Het komt erop neer dat de kunstenaar de Hemel zag als een wazig iets, en dat iedereen zelf zijn Hemel moest kunnen voorstellen. Leuk concept, maar het sluit op geen enkel vlak aan bij mijn gevoelens, gedachten, referentiekader of geschiedenis. Geen enkel aanknopingspunt waar ik wat aan heb om zijn werk te begrijpen. Daarom denk ik dat ik het werk niet waardeer en niet mooi vind. Het herinnert mij aan de irritaties en angst voor de schermen, meer dan dat het me zijn concept laat begrijpen.

Wat er naast deze schermen nog meer te zien was, vond ik ook niet echt denderend. Je kan vast merken dat ik niet echt een fan ben van deze tentoonstelling. Nu ik zo nadenk, denk ik dat het ook komt door mijn ongelovigheid. Ik geloof niet in een God of een Hemel en/of Hel en mijn interesse ligt hier ook niet. Nu hoeft dit geen probleem te zijn, want ik weet niet of de kunstenaar zelf wel of niet gelooft in meer dan wat je kan zien. Wat ik wel weet van de kunstenaar is dat hij gefascineerd is door kathedralen, en de bouw er van. Deze fascinatie belicht hij door zijn werk in de Oude Kerk, aldus het boekje dat ik kreeg. Er waren in de kerk twee werken die vanuit deze fascinatie gemaakt waren: de spiegels (zes om precies te zijn), en het enorme witte gordijn dat van het plafond gedrapeerd was. Als je de spiegels formalistisch bekijkt, zie je zes spiegels, elk in gruzelementen, op de grond liggen. De spiegels zijn grofweg genomen twee en een half bij twee meter, en ze liggen met hun lange deel evenwijdig aan de langste muur van de kerk. Vier van de zes spiegels liggen in de hoeken van het looppad en de andere twee liggen in het midden van de looppaden (als je het bekijkt vanaf de ingang van de kerk). Toen ik het er met Anna en Veerle over had waarom hij ze daar geplaatst had, kwamen we er niet helemaal uit. Ik dacht zelf dat het was om de balans in de kerk-plattegrond in ere te houden, aangezien hij de plattegrond van een kathedraal zo bijzonder vindt. We hebben ook lang nagedacht over waarom hij de spiegels kapot op de grond heeft gepresenteerd, in plaats van heel. We hadden het idee dat hij ons naar boven wilde laten kijken, doordat we door de spiegels het plafond konden zien. Maar in de nabespreking sprak iemand over de mislukte intentie daarvan, want je kijkt als toeschouwer in een kerk vaak als eerste naar boven. Omdat het zo’n statig gebouw is, en er vaak vele versieringen te zien zijn boven je, kijk je niet gelijk naar beneden. Ik kreeg hierdoor het gevoel dat ik door de spiegels gedwongen werd om naar het plafond te kijken terwijl ik dat al deed. En zoals het mens eigen is: als je wordt opgelegd om iets te doen, ben je eerder geneigd om juist het tegenovergestelde te doen en dat vond ik jammer.

Wat hij bij de spiegels deed (het aanmoedigen om naar boven te kijken), deed hij naar mijn idee ook bij de witte gordijnen. Ze waren zo hoog, dat ze helemaal tot het plafond gingen. Hierdoor volgde ik het gordijn ook tot bovenin het gebouw. Omdat ik niet kon zien waar het gordijn voor hing, werd ik door mijn nieuwsgierigheid aangemoedigd om er naartoe te lopen. Eenmaal daar, zag ik dat er een ingang was en dat de doeken naar iets toe leidden. Opnieuw door nieuwsgierigheid aangewakkerd liep ik bij de ingang naar binnen. Ik betrapte mezelf op het hebben van een verwachting van wat ik zou vinden op het einde van het pad. Ik hoopte op iets lugubers, iets wat compleet tegenover de suggestieve maagdelijkheid van het doek stond. Helaas vond ik aan het einde van het slakkenhuisvormige pad slechts een pilaar (vette anticlimax natuurlijk). Maar doordat ik toch ervoor had gekozen om naar binnen te lopen, vond ik het nodig om langer naar die pilaar te kijken (achteraf hoorde ik dat het de dikste pilaar van de kathedraal was). Maar de teleurstelling overstemde en ik liep al gauw naar buiten. De kunstenaar probeerde mij denk ik de constructie van de kerk te laten waarderen, maar doordat ik me bedonderd voelde door de gordijnen, had ik daar al geen zin meer in merkte ik.

Als we het dan vanuit de formalistische benadering gaan hebben over de laatste vraag: ‘Wat is de bijdrage van de kunstenaar met betrekking tot innovatie?’, denk ik dat daar wel wat positiefs over te zeggen is. Deze kunstenaar heeft zijn werk aangepast op de ruimte, en zelfs getracht om met zijn werk de ruimte te versterken. Veel hedendaagse kunst gaat om het toevoegen van iets nieuws of een volledig op zichzelf staand beeld creëren, daar doet deze kunstenaar niet aan. Hij werkt vanuit een concept en voegt op basis daarvan iets toe aan de ruimte, wat de ruimte niet te niet doet (het overstemt het niet), en wat ook niet weg valt in de ruimte.

Conclusie: ik vind conceptuele kunst niet per definitie niet mooi: ik vind alleen conceptuele kunst met een concept dat ik niet begrijp, niet interessant vind, of waar ik me niet in kan vinden, niet mooi of roerend. Ik zou conceptuele kunst waarschijnlijk wel waarderen als het aansluit op wat ik vind, wat ik mee heb gemaakt, wat ik begrijp of wat ik ooit ook heb gevoeld (om een paar voorbeelden te noemen).

Uitgelichte berichten
Recente berichten
Archief
Zoeken op tags
Volg ons
  • Facebook Basic Square
  • Twitter Basic Square
  • Google+ Basic Square

IRIS SMIT

beeldend kunstenaar / illustrator / kunsteducator

  • Facebook - grijze cirkel
  • Instagram - grijze cirkel
  • LinkedIn - grijze cirkel